
De grootste leugen van onze tijd is niet dat het leven eerlijk is, maar dat we blijven herhalen dat iedereen gelijke kansen heeft, alsof het een natuurwet betreft en geen politieke en maatschappelijke keuze, alsof het een neutraal vertrekpunt is in plaats van een uitkomst die alleen zou kunnen bestaan wanneer zij actief wordt gedragen, beschermd en onderhouden, terwijl de werkelijkheid voor velen zich juist afspeelt op een hellend vlak waarin iedere stap vooruit tegelijk een risico is om weer naar beneden te glijden.
Want wie werkelijk kijkt — niet vluchtig, niet statistisch, niet vanuit succesverhalen — maar kijkt naar levens die wankelen, ziet geen gelijk speelveld maar een landschap vol drempels, poorten en onzichtbare hekken, waarover collectief is afgesproken dat we ze niet meer benoemen, omdat benoemen schuurt en schuren zelden past binnen een wereld die efficiëntie, rendement en vooruitgang hoger waardeert dan rechtvaardigheid.
Gelijke kansen bestaan niet in een samenleving waarin toegang afhankelijk is van geld, gezondheid, netwerk, taalvaardigheid, rust, tijd en bestaanszekerheid, en waarin precies deze voorwaarden ongelijk verdeeld zijn, niet toevallig maar structureel, niet individueel maar generationeel, en vervolgens worden herverpakt als “persoonlijke omstandigheden” waar men zich al dan niet beter toe zou moeten verhouden.
Zolang we blijven doen alsof iedereen met dezelfde kaarten begint, kan elitair gedrag zich blijven presenteren als verdienste in plaats van privilege, als kwaliteit in plaats van positie, als logisch gevolg van hard werken in plaats van een samenloop van omstandigheden die zelden hardop worden uitgesproken, waardoor succes moreel wordt verheven en falen moreel wordt geïndividualiseerd.
Binnen die redenering is elitair gedrag geen arrogantie maar efficiëntie, geen uitsluiting maar selectie, geen machtsuitoefening maar “hoe het nu eenmaal werkt”, en precies daar ontstaat de morele legitimatie die maakt dat wie boven komt drijven niet meer hoeft te kijken naar wie onder blijft, omdat die ander het volgens het verhaal ook had kunnen redden, als hij of zij maar net zo hard had gezwommen.
Maar dat verhaal houdt alleen stand zolang we niet kijken naar wie überhaupt toegang had tot zwemles, tot veilige omstandigheden, tot een reddingsboei, of simpelweg tot een plek waar falen niet meteen bestraft werd met verlies van bestaanszekerheid.
Toegang is daarmee het sleutelwoord dat zelden hardop wordt uitgesproken, terwijl het allesbepalend is: toegang tot onderwijs dat niet alleen kennis overdraagt maar ook zelfvertrouwen en culturele codes, toegang tot zorg die niet alleen behandelt maar beschermt, toegang tot wonen zonder permanente dreiging van verlies, en steeds vaker ook toegang tot media, tot het publieke gesprek, tot gehoord en serieus genomen worden.
Ook daar geldt dat wie kan betalen spreekt, en wie niet kan betalen hoopt gevonden te worden, terwijl zelfs zogenaamd “gratis” informatie zelden werkelijk vrij is, omdat zij tijd, mentale ruimte, digitale vaardigheden, stabiliteit en vaak een zekere mate van zelfprofilering vraagt, waardoor juist de stemmen die het meest te vertellen hebben — omdat zij leven op de breuklijnen van het systeem — het minst zichtbaar worden.
Niet omdat zij onbelangrijk zijn, maar omdat zij niet renderen binnen een logica waarin aandacht een verdienmodel is geworden.
De onderlaag zwijgt dan niet omdat zij niets te zeggen heeft, maar omdat spreken risico’s met zich meebrengt wanneer buffers ontbreken, waardoor anonimiteit geen lafhartigheid is maar zelfbescherming, trage verspreiding geen gebrek aan ambitie maar een overlevingsstrategie, en schrijven “voor wie het vindt” geen zwakte maar een bewuste keuze om waarheid niet afhankelijk te maken van marktwaarde.
Toch blijft de wereld zich afvragen waarom deze stemmen niet vaker aan tafel zitten, zonder zich af te vragen wie die tafel heeft neergezet, wie het diner betaalt, en wie bepaalt wat als relevante bijdrage geldt, waardoor uitsluiting zich kan blijven vermommen als neutraliteit.
Misschien ligt de eerste stap daarom niet in het beloven van snelle oplossingen, maar in het zichtbaar maken van wat we collectief hebben leren negeren, namelijk dat gelijkwaardigheid iets anders is dan gelijkheid, dat kansen geen individueel bezit zijn maar een maatschappelijke infrastructuur, en dat elitair gedrag niet voortkomt uit slechte mensen maar uit systemen die belonen wie zich niet hoeft te verhouden tot wat onder hen gebeurt.
Zichtbaar maken ook dat geld niet alleen een ruilmiddel is, maar een moreel filter dat bepaalt wie mag spreken, wie serieus wordt genomen, en wie geacht wordt dankbaar te zijn voor kruimels van aandacht, terwijl precies daar de machtsas van onze tijd loopt.
In een elitaire wereld is wankel zijn dan geen persoonlijke tekortkoming, maar een vorm van waarheid die niet past binnen gladde narratieven, omdat wankel leven zichtbaar maakt wat er gebeurt wanneer zekerheden wegvallen — baan, gezondheid, relatie, woning, status — en hoe snel iemand dan verschuift van “meedoen” naar “lastig”, van “beloftevol” naar “probleemgeval”, niet omdat die persoon veranderd is, maar omdat de bescherming is weggevallen.
Misschien moeten we juist daar blijven kijken, niet om te redden en niet om te verheffen, maar om niet langer te doen alsof het systeem neutraal is, en om de moed te vinden de leugen los te laten dat iedereen gelijke kansen heeft, omdat elitair gedrag alleen kan blijven bestaan zolang die leugen wordt herhaald.
De vraag is dan niet hoe we iedereen gelijk maken, maar wat we bereid zijn te veranderen zodat wankel leven niet automatisch uitsluiting betekent, en misschien nog ongemakkelijker: wie er iets verliest wanneer gelijkwaardigheid geen abstract ideaal meer is, maar een concrete opdracht.
Slotnoot:
Dat is ook de reden dat De KUTste Moeder geen verdienmodel kent, geen advertenties draagt, geen schreeuwende nieuwsbrieven verstuurt en zich niet opdringt aan algoritmes die aandacht verhandelen alsof het een grondstof is, omdat dit schrijven niet bedoeld is om te winnen, te groeien of te concurreren, maar om aanwezig te zijn, om woorden een plek te geven waar ze niet eerst hoeven te renderen voordat ze mogen bestaan, zodat wie wankelt niet opnieuw hoeft te bewijzen dat zijn verhaal waarde heeft, en lezen geen transactie wordt maar een ontmoeting, stil en gelijkwaardig, voor wie het vindt.
Geef een reactie