
Er was een tijd waarin ik dacht dat er, als ik maar lang genoeg zocht, las, leerde en begreep, uiteindelijk een oplossing zou zijn. Een sleutel. Een inzicht dat alles zou samenbrengen. Zeker toen het ging over moederschap, verlies, ADHD en de diepe wens om dingen weer ‘goed’ te maken, voor mezelf én voor anderen. Boeken werden daarbij mijn metgezellen: spiegels, reddingsboeien, soms ook stille confronteerders.
Een van die boeken was The Chimp Paradox. Het gaf me taal voor wat ik al zo lang voelde: dat er delen in ons brein zijn die reageren vanuit emotie, angst en overleving, en delen die willen begrijpen, sturen en nuanceren. Het beeld van de ‘chimp’ — dat impulsieve, soms overweldigende deel — was helpend, vooral omdat het iets normaliseerde wat ik jarenlang als falen had gezien. Dat ik soms reageerde voordat ik dacht. Dat emoties mij konden overspoelen, zonder dat ik daar bewust voor koos.
Tegelijkertijd begon er iets te schuren. Want hoe verhelderend het model ook is, het kan onbedoeld het gevoel versterken dat er iets in jou is dat beteugeld, gecorrigeerd of ‘onder controle’ moet worden gehouden. Zeker wanneer je een brein hebt dat anders werkt, zoals bij ADHD. Alsof de chimp het probleem is. Alsof rust, balans en regulatie alleen bereikt kunnen worden door harder je best te doen.
En daar raakte ik aan iets groters. Niet alleen bij dit boek, maar bij veel boeken over brein, gedrag en ‘verbetering’. De onderliggende belofte — vaak subtiel, soms expliciet — dat er iets te fixen valt. Dat als je het maar goed begrijpt, goed toepast, goed oefent, je uiteindelijk uitkomt bij een versie van jezelf die rustiger, beter, consistenter is.
Maar wat als dát nu juist de mythe is?
Wat als niet alles bedoeld is om opgelost te worden, maar om gedragen te worden? Wat als de echte beweging niet zit in het temmen van je brein, maar in het leren luisteren ernaar — inclusief de delen die chaotisch, gevoelig, impulsief of intens zijn? Voor mij werd steeds duidelijker dat mijn zoektocht niet ging over controle, maar over relatie. Niet over fixen, maar over begrijpen.
Bij ADHD voelt die nuance extra belangrijk. Titels als Het verstrooide brein suggereren al snel dat er iets mis is, iets wat afwijkt van de norm en daarom hersteld moet worden. Terwijl ik steeds meer ervaar dat het niet gaat om minder zijn, maar om anders zijn. Om een brein dat snel associatief is, diep voelt, intens waarneemt en soms moeite heeft met een wereld die vooral rust, structuur en lineair denken waardeert.
Dat betekent niet dat inzicht of tools niet waardevol zijn — integendeel. Boeken zoals The Chimp Paradox kunnen enorm helpen bij zelfinzicht en mildheid. Maar voor mij ligt de werkelijke verschuiving in het besef dat EQ en zelfcompassie minstens zo belangrijk zijn als IQ en cognitieve modellen. Dat emotionele intelligentie niet betekent dat je emoties onderdrukt, maar dat je ze leert herkennen, erkennen en er veilig bij kunt blijven.
Misschien is dát de echte uitnodiging. Niet om jezelf te repareren, maar om jezelf beter te leren kennen. Niet om het leven te laten voldoen aan jouw verwachtingen, maar om te leren leven met wat zich aandient — inclusief alles wat niet netjes past in een oplossing.
En misschien, heel misschien, is De mythe van het fixen wel precies dat: het moment waarop je stopt met zoeken naar wat er mis is, en begint met ontdekken hoe je met alles wat er is kunt omgaan.
Als dit resoneert, weet dan: je bent niet alleen. ❤️
Geef een reactie