Mijn hele leven heb ik geprobeerd te bewijzen dat ik niet gehandicapt was. Niet fysiek, niet mentaal. Ik wilde laten zien dat ik net zo normaal was als iedereen. Dat ik het aankon, dat ik sterk genoeg was, slim genoeg, snel genoeg. Dat ik niet anders was.
Maar het probleem met een onzichtbare beperking is… dat niemand hem ziet. En als niemand hem ziet, lijkt hij niet te bestaan.
Dus ging ik harder. Sneller. Meer.
Mijn ADHD maakte mij chaotisch, impulsief, anders. Maar in plaats van dat te omarmen, vocht ik ertegen. Ik wilde laten zien dat ik gefocust kon zijn, dat ik dingen wél kon afmaken. Dat ik niet ‘dom’ of ‘lui’ was, maar gewoon mijn eigen manier had. Dus duwde ik mezelf door systemen die niet voor mij werkten, omdat ik dacht dat ik pas waarde had als ik me kon meten aan de rest.
Mijn lijf werkte niet altijd mee, maar dat negeerde ik. Pijn? Niet zeuren. Grenzen? Die bestaan niet. ‘Je ziet er toch prima uit?’ Ja, en daarom moest ik mezelf maar net zo gedragen. Ik tilde te zwaar, ging te ver, weigerde hulp. Alles om maar niet het label ‘beperkt’ te hoeven dragen.
Totdat mijn lijf me dwong. Totdat mijn hoofd me dwong. Totdat ik niet meer kon doen alsof.
En toch… Zelfs nu, zelfs met alles wat ik wéét, voel ik nog steeds die drang om te bewijzen dat ik het wél kan. Om mijn eigen handicap onzichtbaar te maken, zelfs voor mezelf. Want als ik hem niet zie, bestaat hij niet. Toch?
Maar zo werkt het niet. Ik mag toegeven dat dingen moeilijk voor me zijn. Dat ik anders functioneer. Dat mijn lijf beperkingen heeft. Niet om mezelf klein te maken, maar juist om mezelf de ruimte te geven. Om niet meer te vechten tegen iets wat er gewoon is.
Ik ben niet minder. Nooit geweest. Maar ik ben ook niet hetzelfde als iedereen. En misschien is dat geen zwakte, maar juist mijn kracht.

















Geef een reactie