
Er is een moment waarop je je realiseert dat je wel een huis hebt, maar geen vaste grond, dat je ergens woont waar je leven zich afspeelt — je ochtendrituelen, je moeheid, je herstel, je hoop — terwijl alles om je heen subtiel blijft fluisteren dat je hier eigenlijk maar tijdelijk bent, ook al weet niemand precies waar je dan naartoe zou moeten, en dat besef maakt iets in je los wat verder gaat dan praktische zorgen, omdat het niet alleen over wonen gaat, maar over bestaansrecht.
Wonen is langzaam verschoven van een basisvoorwaarde naar een statussymbool, van een plek om te landen naar een bezit dat legitimeert dat je meetelt, en wie niet bezit, lijkt automatisch in een soort tussenruimte terecht te komen: welkom zolang het uitkomt, dankbaar zolang je niet te veel vraagt, stil zodra het ongemakkelijk wordt. Als huurder voel je dat verschil niet in grote woorden, maar in kleine signalen — in gesprekken die niet voor jou bedoeld zijn, in besluiten die elders genomen worden, in het idee dat je aanwezigheid functioneel is maar nooit vanzelfsprekend.
Wat vaak over het hoofd wordt gezien, is hoe plotseling het leven kan kantelen, hoe snel een baan kan verdwijnen, een lichaam je in de steek kan laten, een relatie kan breken, en hoe je dan ineens niet meer degene bent die je gisteren nog was, maar iemand die aan de onderrand van de woningmarkt terechtkomt, zoekend, wachtend, uitleg gevend. Dat verlies gaat niet alleen over inkomen of vierkante meters, maar over status — een status die door onze huidige maatschappij zo sterk is opgehangen aan bezit, zelfstandigheid en succes, dat wie even struikelt automatisch lager wordt ingeschaald, terwijl niemand immuun is voor die val. En juist dat maakt het zo pijnlijk en zo onnodig, want als we werkelijk over gelijkwaardigheid spreken, dan zou wonen geen beloning moeten zijn voor wie overeind blijft, maar een basis die er óók is voor wie tijdelijk wankelt.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over de jeugd die nog moet beginnen, jonge mensen die willen studeren, werken, liefhebben en op eigen benen staan, maar die hun volwassen leven starten in een markt waar geen beginpunt meer lijkt te bestaan, waar kamers schaars zijn, huren onbetaalbaar, en zekerheid iets is wat je pas mag verlangen nadat je het al hebt bewezen. Zij leren niet hoe je een thuis opbouwt, maar hoe je je leven in dozen houdt, klaar om weer te verplaatsen, en dat doet iets met hoe je jezelf ziet, met durven plannen, met vertrouwen in de toekomst. Een samenleving die haar starters laat wiebelen voordat ze überhaupt hebben leren staan, legt een wankele basis onder alles wat daarna nog moet groeien.
Tegelijkertijd is dit geen eenvoudig verhaal van schuld en daders. Het is begrijpelijk dat kleine verhuurders, zelfstandigen en mensen zonder riant pensioen hun zekerheid hebben gezocht in stenen, vaak aangemoedigd door beleid, banken en een samenleving die jarenlang heeft gezegd dat dit verstandig was, dat dit een manier was om later niet afhankelijk te zijn. Het is begrijpelijk dat iemand zijn investering wil beschermen en daar iets aan wil verdienen. Maar ergens onderweg is die begrijpelijkheid overgenomen door iets anders: een markt waarin projectbureaus en constructies lachend rijk worden, waarin gemeubileerde en tijdelijke huur steeds normaler wordt, en waarin mensen zonder kapitaal worden behandeld alsof ze ook geen geschiedenis, geen spullen, geen continuïteit nodig hebben.
Wat het wankel maakt, is dat deze ontwikkeling niet alleen economisch is, maar existentieel, omdat het leven van huurders steeds meer wordt ingericht rond voorwaarden, uitzonderingen en tijdelijkheid, terwijl stabiliteit juist de basis is van herstel, zorg, opvoeding, rouw en toekomst. Sociale huurwoningen passen eigenlijk steeds minder in deze logica, en dat is misschien wel het meest verontrustende signaal: dat een vangnet langzaam verandert in een wachtkamer zonder duidelijke uitgang, terwijl de samenleving ondertussen blijft praten over zelfredzaamheid alsof iedereen met dezelfde schoenen is begonnen.
Ik merk dat in mijn eigen zoektocht naar sociale huur, waarin wachten geen fase meer is maar een toestand, waarin je leert plannen met potlood en hopen met kleine letters, en waarin je je soms afvraagt of wankel zijn een persoonlijk falen is, terwijl het in werkelijkheid een logisch gevolg is van een systeem dat bezit steeds zwaarder laat wegen dan menselijkheid. De Nederlandse zorgstaat, ooit gebouwd op solidariteit en collectieve verantwoordelijkheid, schuift ongemerkt op richting een harder model waarin wie niet mee kan bewegen, steeds verder naar de rand wordt geduwd — niet met geweld, maar met beleefdheid, regels en marktlogica.
Misschien is dat wel wat elitair gedrag vandaag de dag werkelijk is: niet openlijke minachting, maar een wereld die zo is ingericht dat sommige levens als vanzelfsprekend worden gefaciliteerd, terwijl andere voortdurend moeten bewijzen dat ze bestaansrecht hebben. En misschien is wankel zijn geen teken van zwakte, maar een logisch gevolg van proberen te blijven staan op grond die steeds minder vast voelt.
De vraag is dan niet alleen wat voor woningmarkt we willen, maar wat voor samenleving we aan het bouwen zijn, en of we werkelijk geloven dat een thuis iets is wat je moet verdienen — of iets wat ieder mens nodig heeft om überhaupt mens te kunnen zijn.
Geef een reactie