Kritiek versus compliment

🚪 Kritiek versus compliment

🇳🇱 Voor de krachtige, unieke, trotse, sterke, trouwe en eerlijke moeder 🇬🇧 For the wise, openhearted, resilient, strong and true mother

De belangrijkste inzichten ontstaan niet terwijl ik actief naar antwoorden zoek, maar juist op momenten waarop ik denk dat ik ergens anders mee bezig ben. Dan verschijnt er een gedachte die eerst onschuldig lijkt, waarna die zich vastzet ergens achter in mijn hoofd, alsof ze weigert weg te gaan voordat ik haar echt heb aangekeken. Zo begon het ook deze week. Het begon niet bij ouderverstoting, niet bij trauma, niet eens bij verdriet. Het begon bij een compliment.

Een tante die mijn boek & verhalen had gelezen stuurde mij een gesproken bericht. Ze vertelde hoeveel herkenning ze vond in mijn woorden, hoeveel stukken van haar eigen verhaal ze terugzag tussen de regels door. Het was een warm bericht, precies het soort bericht waar ik jarenlang van had gedroomd toen ik begon met schrijven. Toch gebeurde er iets vreemds. Terwijl ik haar woorden hoorde, voelde ik niet direct vreugde. Ik voelde weerstand. Niet in mijn hoofd, maar in mijn lichaam. Alsof ergens diep vanbinnen een deur op een kier stond, maar niet volledig open wilde gaan. Later vroeg ze wat ik dan precies voelde wanneer iemand een compliment gaf. Het antwoord kwam sneller dan verwacht. Omdat ik zoveel kritiek heb ervaren in mijn leven, verwacht ik een compliment eigenlijk niet meer. Mijn systeem is gewend geraakt aan iets anders. Kritiek werd herkenbaar. Vertrouwd zelfs. Niet prettig, maar wel voorspelbaar. Een compliment voelt soms als een taal die ik begrijp, terwijl ik haar nooit echt heb leren spreken.

Die gedachte bleef hangen. Terwijl ik koffie zette. Terwijl ik naar buiten keek. Terwijl ik eigenlijk met heel andere dingen bezig was. Op een gegeven moment ontstond in Verhalenland een nieuw schema. Een eenvoudige deur. Aan de ene kant kritiek. Aan de andere kant complimenten. Eerst vond ik het een vreemd idee. Hoe konden die twee bij elkaar horen? De één doet pijn, de ander geeft vreugde. Toch bleef ik kijken. Net zolang totdat ik begreep wat ik eigenlijk had getekend. Kritiek raakt omdat je gezien wordt. Complimenten raken om precies dezelfde reden. Beide kloppen op dezelfde deur. Niet de deur van gelijk krijgen. Niet de deur van succes. De deur van gezien worden.

Ik dacht dat dat het inzicht was. Dat het schema af was. Dat ik had gevonden waar die weerstand vandaan kwam. Totdat ik merkte dat er iets niet klopte. Alsof ik naar de juiste tekening keek, maar nog niet naar de juiste verdieping. De uren daarna bleef die deur terugkomen. Tijdens gesprekken. Tijdens het schrijven. Zelfs toen ik probeerde over iets heel anders na te denken. Ergens bleef ze zachtjes aan mijn mouw trekken. Niet opdringerig. Gewoon aanwezig. Totdat ik ineens begreep dat die deur veel ouder was dan ik dacht.

Want kritiek van een vreemde doet pijn. Kritiek van iemand die dichtbij staat doet meer pijn. Dat verschil begrijpen de meeste mensen wel. Toch ontdekte ik dat er nog een laag onder lag. Een laag waar ik niet direct naar had gekeken. Want wat gebeurt er wanneer de persoon die je het liefst zou willen bereiken, de persoon van wie je het liefst erkenning zou ontvangen, juist degene is van wie je die erkenning niet meer krijgt? Wat gebeurt er wanneer liefde, gemis, verdriet, verlangen naar verbinding jarenlang door elkaar heen gaan lopen? Terwijl ik daarover nadacht voelde ik ineens waar de regen vandaan kwam.

Mijn dochter.

Dat inzicht kwam niet als een gedachte. Het kwam als een gevoel. Ineens begreep ik waarom sommige complimenten zo moeilijk landen. Niet omdat ik ze niet geloof. Niet omdat ik ze niet wil ontvangen. Maar omdat er ergens diep vanbinnen nog altijd een stem ontbreekt die ik zo graag zou willen horen. Wanneer iemand schrijft dat mijn woorden hem raken voel ik oprecht vreugde. Tegelijkertijd bestaat er soms een andere laag die fluistert: als dit waar is, waarom ziet zij dat dan niet? Dat is geen verwijt. Niet naar haar. Niet naar mezelf. Het is simpelweg verdriet dat zichtbaar wordt zodra er licht op valt.

Ik denk dat dit één van de dingen is waar weinig mensen over praten wanneer het gaat over ouderverstoting. We denken vaak aan lege stoelen tijdens verjaardagen, gemiste telefoontjes, feestdagen die anders lopen dan gehoopt. Wat minder zichtbaar is, zijn de plekken waar het verdriet zich verstopt. Soms verstopt het zich achter kritiek. Soms achter complimenten. Soms achter twijfel aan jezelf. Soms achter een deur waarvan je jarenlang dacht dat die ergens anders over ging.

Deze week ontdekte ik dat heling voor mij niet betekent dat verdriet verdwijnt. Vroeger dacht ik dat wel. Alsof er ooit een punt zou komen waarop alles opgelost zou zijn, waarna ik nergens meer verdriet om hoefde te voelen. Tegenwoordig kijk ik daar anders naar. Heling is niet geen verdriet meer voelen. Heling is weten waar de regen vandaan komt. Zodra ik herken welke wolk boven mij hangt, hoef ik niet meer bang te zijn voor iedere druppel die valt. Dan mag verdriet gewoon even regen zijn. Een regenbui die komt, blijft hangen, weer verder trekt. Zonder dat ik mezelf daarin verlies.

Dat is wellicht de grootste verandering van allemaal. Ik hoef niet langer te kiezen tussen sterk zijn of verdrietig zijn. Ik mag beide zijn. Ik mag geraakt worden door een compliment. Ik mag geraakt worden door een herinnering. Ik mag verlangen naar verbinding terwijl ik accepteer dat niet alles maakbaar is. Soms is dat genoeg. Soms is herkenning al een vorm van thuiskomen.

Nadat ik had ontdekt waar die deur werkelijk over ging, bleef ik nog rondlopen met een ongemakkelijk gevoel. Niet omdat het inzicht verkeerd voelde, maar juist omdat het zo kloppend was. Sommige waarheden komen niet binnen als een opluchting. Ze komen binnen als een spiegel. Je kijkt erin, herkent iets wat je al jaren wist, waarna je beseft dat je er al die tijd langs hebt gekeken.

Ik begon mij af te vragen hoeveel keuzes ik eigenlijk heb gemaakt vanuit die ene behoefte die ieder mens kent. De behoefte om gezien te worden. Niet bewonderd. Niet op een podium geplaatst. Gewoon gezien. Werkelijk gezien. Zoals je naar een boom kijkt die al jaren in een tuin staat. Niet omdat hij bijzonder probeert te zijn. Niet omdat hij aandacht vraagt. Gewoon omdat hij er is.

Wanneer een kind geboren wordt, leert het zichzelf kennen door de ogen van anderen. Een baby kijkt niet in de spiegel om te ontdekken wie hij is. Een baby kijkt naar gezichten. Naar blikken. Naar reacties. Naar de manier waarop iemand glimlacht wanneer hij de kamer binnenkomt. Op die manier ontstaat langzaam een gevoel van bestaan. Ik ben er. Ik doe ertoe. Ik word gezien. Jaren later verandert dat niet zoveel als we denken. Alleen worden de spiegels ingewikkelder.

Soms zoeken we bevestiging in relaties. Soms in werk. Soms in prestaties. Soms in de zorg voor anderen. Soms in de rol die we voor onszelf hebben gekozen. Vaak zonder dat we het doorhebben. Achter veel menselijke verlangens zit dezelfde vraag verborgen. Zie je mij? Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Want wat gebeurt er wanneer juist de persoon die je het liefst zou willen bereiken niet meer kijkt?

Die vraag hield mij bezig. Niet omdat ik een antwoord zocht. Het was eerder alsof de vraag mij gevonden had. Terwijl ik terugdacht aan de afgelopen jaren begon ik te begrijpen dat ouderverstoting niet alleen gaat over gemis. Natuurlijk is er gemis. Dat spreekt voor zich. Gemiste gesprekken. Gemiste herinneringen. Gemiste momenten die nooit meer terugkomen. Toch ontdekte ik dat er nog iets anders gebeurt. Een deel van jezelf blijft wachten. Niet bewust. Niet iedere dag. Niet voortdurend.

Maar ergens diep vanbinnen blijft een klein stukje hopen dat er ooit een moment komt waarop de ander zegt: ik zie je.

Ik denk dat veel ouders die met ouderverstoting te maken hebben dat gevoel herkennen. Niet omdat ze gelijk willen krijgen. Niet omdat ze willen winnen. Niet omdat ze perfect gevonden willen worden. Juist niet. De meeste ouders die ik spreek weten als geen ander dat ze fouten hebben gemaakt. Ik in ieder geval wel. Ik heb dingen gezegd die ik achteraf anders had willen doen. Ik heb dingen gemist. Dingen verkeerd ingeschat. Dingen niet begrepen. Zoals iedere ouder. Daar gaat het niet over. Het gaat over iets veel eenvoudigers.

Dat iemand ondanks al die menselijke tekortkomingen nog steeds zegt: ik zie je.

Terwijl ik daarover nadacht begreep ik ineens waarom sommige complimenten zo moeilijk landen. Want wanneer iemand schrijft dat mijn woorden helpen, ontstaat er niet alleen vreugde. Er ontstaat ook verdriet. Niet omdat het compliment onwaar is. Juist omdat het waar voelt. Het legt een verlangen bloot waarvan ik soms vergeet dat het er nog zit. Het verlangen om ook door haar gezien te worden.

Dat is een pijnlijk inzicht. Niet omdat het hopeloos is. Maar omdat ik ineens zag hoeveel energie het kost om voortdurend op een deur te blijven kloppen die niet open gaat. Op dat moment verscheen er nog een tweede inzicht. Een inzicht dat mij misschien nog wel meer rust gaf dan het eerste.

Wat als gezien worden niet begint bij degene die weg is? Wat als gezien worden begint bij degene die gebleven is?

Ik weet niet precies wanneer die gedachte ontstond. Ik weet alleen dat ik plotseling besefte hoeveel mensen er de afgelopen jaren op mijn pad zijn gekomen. Lezers die hun verhaal deelden. Mensen die een bericht stuurden. Mensen die zichzelf herkenden in woorden waarvan ik dacht dat niemand ze ooit zou lezen. Zelfs de gesprekken in Verhalenland begonnen ineens een andere kleur te krijgen. Alsof ik jarenlang naar één gesloten deur had gekeken, terwijl er achter mij ongemerkt tientallen andere deuren open waren gegaan.

Dat betekent niet dat het gemis verdwijnt. Dat betekent niet dat verdriet oplost. Dat betekent niet dat de deur ineens niet meer belangrijk is. Maar het betekent wel dat mijn leven niet langer volledig afhankelijk hoeft te zijn van één slot. Dat inzicht voelde als ademhalen.

Want misschien is dat uiteindelijk wat heling doet. Niet vergeten. Niet ontkennen. Niet doen alsof iets geen pijn meer doet. Heling verplaatst langzaam het zwaartepunt van wat ontbreekt naar wat aanwezig is. Van de deur die gesloten bleef naar de mensen die wel zijn blijven staan. Van de regen naar de bomen die ondanks die regen zijn blijven groeien.

Wanneer ik nu naar dat schema kijk, zie ik daarom niet alleen kritiek of complimenten. Ik zie liefde. Ik zie gemis. Ik zie verlangen naar verbinding. Maar ik zie ook iets anders. Ik zie een vrouw die langzaam ontdekt dat gezien worden niet uitsluitend afhankelijk is van degene die wegloopt. Soms begint het bij het durven zien van jezelf. Soms begint het bij de mensen die al die tijd naast je hebben gelopen zonder dat je het volledig durfde te geloven.

Misschien is dat waarom sommige complimenten tegenwoordig iets minder pijn doen dan vroeger. Niet omdat de regen verdwenen is. Maar omdat ik eindelijk weet waar de zon staat.

Toen ik eenmaal zag dat die deur niet alleen over kritiek of complimenten ging, begon ik iets anders te begrijpen. Iets wat veel ongemakkelijker was om naar te kijken. Want zolang ik dacht dat de pijn werd veroorzaakt door wat andere mensen deden, bleef de oplossing ook buiten mij liggen. Dan moest iemand anders veranderen. Dan moest iemand anders iets begrijpen. Dan moest iemand anders een deur openen die gesloten was gebleven. Dat klinkt logisch, totdat je ontdekt hoeveel macht je daarmee eigenlijk weggeeft zonder dat je het doorhebt.

De afgelopen jaren heb ik vaak gedacht dat mijn verdriet vooral te maken had met wat ik kwijt was geraakt. Mijn dochter. Een relatie. Een droom. Een toekomstbeeld waarvan ik ooit dacht dat het vanzelfsprekend was. Toch begon ik langzaam te zien dat verlies niet altijd het moeilijkste gedeelte is. Het moeilijkste gedeelte is vaak de ruimte die daarna ontstaat. Een lege plek waar ooit iets woonde. Een stilte die eerst gevuld werd door verwachtingen, hoop, gesprekken of plannen. Wanneer dat wegvalt, blijft er een vraag over die veel groter blijkt dan ik dacht.

Wie ben ik wanneer ik niet langer wacht?

Dat is een ongemakkelijke vraag. Niet omdat ik het antwoord niet weet, maar omdat ik ontdekte hoeveel van mijn energie jarenlang verbonden bleef aan deuren die gesloten waren. Niet bewust. Niet iedere dag. Toch was er altijd ergens een stukje aandacht dat keek naar wat ontbrak. Een stukje hoop dat zich bleef afvragen of er ooit iets zou veranderen. Een stukje verdriet dat bleef turen naar een horizon die niet dichterbij kwam.

Misschien is dat ook heel menselijk. Liefde doet dat met mensen. Wanneer iemand belangrijk voor je is, geef je niet zomaar op. Je hart kent geen agenda. Het kijkt niet naar kalenders. Het rekent niet uit hoeveel tijd er verstreken is. Liefde blijft vaak veel langer wachten dan ons verstand verstandig vindt. Toch ontdekte ik dat er een verschil bestaat tussen liefhebben en wachten. Een verschil dat ik jarenlang niet goed kon zien.

Liefhebben laat iets stromen. Wachten zet iets stil.

Terwijl ik daarover nadacht moest ik ineens denken aan de seizoenen van Verhalenland. Niet omdat ik een nieuw schema wilde maken, maar omdat ik zag hoe gemakkelijk mensen in een winter kunnen blijven wonen. Niet de winter van verdriet zelf, want verdriet hoort bij het leven. Ik bedoel de winter waarin alles draait om wat niet groeit. Wat niet terugkomt. Wat niet lukt. Wat niet verandert. Wanneer je lang genoeg naar kale takken kijkt, vergeet je soms dat er ook wortels bestaan.

Dat was misschien wel het grootste inzicht van de afgelopen tijd. Terwijl ik voortdurend keek naar wat verdwenen was, groeiden er ongemerkt ook nieuwe wortels. Mijn website groeide. Verhalenland groeide. Er ontstonden gesprekken die ik vroeger nooit had gevoerd. Er kwamen mensen op mijn pad die zichzelf herkenden in mijn woorden. Niet omdat ik een expert ben. Niet omdat ik antwoorden heb. Juist omdat ik onderweg hardop durfde te twijfelen. Omdat ik schreef over de dingen waar mensen meestal stil over blijven.

Soms vraag ik mij af hoeveel mensen rondlopen met hetzelfde gevoel. Het gevoel dat hun leven pas verder kan wanneer één specifieke deur open gaat. Alsof er ergens een laatste puzzelstuk ligt dat eerst gevonden moet worden voordat de rest mag beginnen. Ik begrijp dat gevoel inmiddels heel goed. Ik heb er jarenlang naast gewoond. Toch begin ik langzaam te vermoeden dat het leven anders werkt. Dat het leven niet wacht totdat wij compleet zijn. Dat groei niet wacht totdat verdriet verdwenen is. Dat vreugde niet wacht totdat iedere wond genezen is.

Misschien is dat ook waarom het idee van het Vreugdeboekje mij zo raakte. Niet omdat het over vreugde gaat. Het gaat eigenlijk over aandacht. Over de vraag waar ik mijn blik laat rusten. Want op dezelfde dag waarop ik verdriet voel om mijn dochter, kan er ook een vlinder op mijn viool landen. Op dezelfde dag waarop ik een rekening moet betalen, kan iemand schrijven dat mijn woorden hem geraakt hebben. Op dezelfde dag waarop een deur gesloten blijft, kan ergens anders een raam openstaan. Het één maakt het ander niet ongedaan. Het bestaat naast elkaar.

Dat besef bracht onverwacht veel rust. Niet omdat de pijn minder werd, maar omdat ik ophield haar voortdurend te vergelijken met de rest van mijn leven. Verdriet hoeft niet meer de hoofdrol te spelen om serieus genomen te worden. Liefde hoeft niet meer bewezen te worden door te blijven wachten. Gemis hoeft niet meer iedere kamer van het huis te bewonen om zichtbaar te blijven.

Wanneer ik tegenwoordig naar die deur kijk, zie ik daarom nog iets anders. Ik zie niet alleen de mensen die naar binnen kwamen of vertrokken. Ik zie ook de persoon die al die tijd aan deze kant van de deur stond. De vrouw die bleef schrijven. Die bleef zoeken. Die bleef liefhebben. Die bleef hopen. Niet perfect. Niet zonder fouten. Niet zonder verdriet. Gewoon mens.

Misschien begint heling uiteindelijk daar. Niet bij de deur die ooit open moet gaan. Niet bij het antwoord waar we zo lang op wachten. Maar bij het moment waarop we ontdekken dat ons leven ondertussen al verder is gegroeid dan de wachtkamer waarin we ooit zijn gaan zitten.

Wanneer ik terugkijk op de afgelopen jaren zie ik een vrouw die heel lang onderweg is geweest. Dat klinkt dramatischer dan ik het bedoel. Ik bedoel niet onderweg van de ene stad naar de andere. Niet onderweg naar een nieuwe relatie, een nieuwe woning of een nieuw hoofdstuk. Ik bedoel onderweg naar zichzelf. Pas nu ik dit opschrijf besef ik hoe vreemd dat eigenlijk klinkt. Alsof je een leven kunt leiden terwijl je tegelijkertijd nog steeds op zoek bent naar de plek waar je werkelijk mag landen. Toch denk ik dat veel mensen dat gevoel herkennen. We brengen soms jaren door met het zoeken naar een thuis, terwijl we ongemerkt denken dat dat thuis zich ergens buiten ons bevindt.

Ik heb dat ook gedacht. Ik dacht dat het thuis misschien lag in een relatie die stand zou houden. In een gezin dat bij elkaar zou blijven. In een toekomstbeeld dat ik ooit voor me zag. Later verschoof dat verlangen naar andere plekken. Een woning. Een dorp. Een tuin. Een plek waar ik rust zou voelen. Een plek waar ik eindelijk niet meer hoefde te zoeken. Het bijzondere is dat ik tegenwoordig nog steeds verlang naar zo’n plek. Ik hoop nog steeds op een huis waar ik mij thuis voel. Ik hoop nog steeds op een tuin waar bomen mogen groeien. Ik hoop nog steeds op een leven waarin er iets meer ademruimte is dan nu. Alleen zie ik inmiddels dat dat niet hetzelfde is als thuiskomen.

Want ergens onderweg gebeurde er iets wat ik niet had verwacht. Terwijl ik bleef zoeken naar een plek buiten mijzelf, begon er langzaam iets te verschuiven aan de binnenkant. Niet spectaculair. Geen blikseminslag. Geen groot inzicht dat alles veranderde. Het ging veel langzamer. Bijna ongemerkt. Een grens die ik vroeger niet durfde te trekken. Een verdriet dat ik niet langer wegduwde. Een compliment dat iets minder pijn deed dan voorheen. Een regenbui waarin ik bleef staan zonder erin te verdrinken. Achteraf zie ik dat al die kleine momenten samen iets hebben gebouwd wat ik destijds nog niet kon zien.

Wanneer ik denk aan ouderverstoting, aan verlies, aan gesloten deuren, aan alles wat anders liep dan gehoopt, voel ik nog steeds verdriet. Dat zal waarschijnlijk nooit helemaal verdwijnen. Liefde laat nu eenmaal sporen achter. Toch is het verdriet niet langer de plek waar ik woon. Dat verschil voelt belangrijk. Vroeger leek het soms alsof ik mijn tent had opgeslagen in het gemis. Alsof iedere gedachte uiteindelijk weer terugliep naar dezelfde plek. Tegenwoordig voelt het anders. Het verdriet reist met mij mee, maar het bepaalt niet langer de route.

Misschien is dat wat heling uiteindelijk doet. Niet omdat het verleden verdwijnt. Niet omdat pijn wordt uitgewist. Maar omdat het verleden niet langer de enige kamer in het huis is. Er komen nieuwe kamers bij. Kamers met licht. Kamers met herinneringen die niet alleen pijn doen. Kamers met mensen die binnenkomen zonder iets van je af te nemen. Kamers waarin gelachen wordt. Kamers waarin een vlinder zomaar besluit op een viool te landen terwijl je koffie staat te drinken. Het leven wordt niet kleiner door verdriet. Het wordt groter.

Terwijl ik dit schrijf moet ik denken aan de vraag die zo lang onder alles verborgen lag. De vraag die zich verstopt had achter kritiek, complimenten, ouderverstoting, relaties, gemis, verlangen naar verbinding. De vraag die ik pas zag toen ik ophield haar te zoeken. Zie je mij?

Jarenlang dacht ik dat het antwoord op die vraag ergens buiten mij lag. Bij een dochter. Bij een partner. Bij een ouder. Bij iemand die ooit zou zeggen dat ik genoeg was. Tegenwoordig kijk ik daar anders naar. Niet omdat erkenning onbelangrijk is. Niet omdat verbinding er niet toe doet. Integendeel. Mensen hebben elkaar nodig. We zijn gemaakt om gezien te worden. Alleen ontdek ik langzaam dat er een verschil bestaat tussen gezien willen worden en jezelf verliezen in de hoop dat iemand anders kijkt.

Want wat gebeurt er wanneer de persoon op wie je wacht nooit komt? Wat gebeurt er wanneer een deur gesloten blijft? Wat gebeurt er wanneer een antwoord uitblijft?

De afgelopen tijd ontdekte ik iets wat ik nooit had verwacht. Het leven stopt niet. De boom groeit gewoon verder. Niet uit onverschilligheid. Niet omdat de liefde verdwenen is. Juist omdat de liefde blijft bestaan. Wortels groeien ook wanneer een tak beschadigd raakt. De seizoenen gaan verder. De regen valt. De zon verschijnt weer. Er ontstaan nieuwe bladeren. Nieuwe vruchten. Nieuwe verhalen.

Dat is uiteindelijk wat thuiskomen betekent. Niet dat alles op zijn plaats valt. Niet dat iedere wond genezen is. Niet dat iedere deur open gaat. Thuiskomen betekent dat je jezelf niet langer achterlaat terwijl je wacht op iemand anders. Dat je naast je verdriet gaat zitten zonder erin te wonen. Dat je jouw eigen stem begint te vertrouwen. Dat je jezelf toestaat om te groeien, zelfs wanneer een deel van je hart nog steeds verlangt.

Wanneer ik nu terugkijk naar de deur van kritiek en complimenten zie ik iets wat ik eerder niet zag. Achter die deur stond al die tijd iemand te wachten. Niet mijn dochter. Niet een partner. Niet een ouder. Ikzelf. Misschien is dat wel de mooiste ontdekking van allemaal. Dat ik al die tijd op zoek was naar een thuis, terwijl ik langzaam bezig was er één te worden.

📁 Stop in jouw Losse Blaadjes Map

⬇ Download Schema kritiek & compliment

Schema Kritiek versus compliment

Landde dit verhaal ook bij jou?

Voel je vrij om een gedachte, inzicht of ervaring achter te laten. Verhalen verschijnen pas na goedkeuring zodat deze plek zacht en veilig blijft voor iedereen. 🌿❤️

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *